U bent hier

Bij verhuizing zou leegstaande kerk een optie zijn

De Murugan Tempel, hindoetempel in Roermond.

Niet-christelijke geloofsgemeenschappen zijn over het algemeen tevreden over hun ceremoniële gebouwen, maar als men zou moeten verhuizen, dan zou een leegstaande kerk best een optie kunnen zijn. Dat is de belangrijkste conclusie uit het onderzoek van het expertisecentrum Kaski.

Om een beeld te krijgen van het ruimtegebruik en de ruimtebehoefte van niet-christelijke godsdiensten, vroeg het programma Toekomst Religieus Erfgoed het Kaski, expertisecentrum over religie en samenleving van de Radboud Universiteit te Nijmegen, hier onderzoek naar te doen. Antwoord op die vraag zou immers mogelijk bij kunnen dragen aan het vinden van nieuwe functies voor leegkomende kerkgebouwen.

Het Kaski heeft voor dit onderzoek een database opgebouwd met daarin 782 niet-christelijke geloofsgemeenschappen uit zes denominaties: Boeddhisme, Hindoeïsme, Jodendom, Islam, Sathya Sai en Sikhisme. Allen hebben voor dit onderzoek een vragenlijst gekregen, waarop 247 van hen hebben gereageerd. Een respons van 32%.

Een aantal zaken valt op. Moskeeën zijn bijvoorbeeld vaak in eigen bezit terwijl boeddhistische sangha’s veelal gehuurd worden. Joodse synagogen zijn vaak oud en monumentaal. Wat overeenkomt, is dat religieuze bijeenkomsten bij alle denominaties de hoofdactiviteit vormen. Daarnaast vinden er, behalve in boeddhistische sangha’s, ook andere activiteiten plaats zoals onderwijs, informele activiteiten zoals lezingen, en maatschappelijke activiteiten zoals taalcursussen. Gemiddeld genomen zijn de gemeenschappen tevreden over de ligging, de faciliteiten, de uitstraling en de onderhoudsstaat van hun ceremonieel gebouw. Er is dus geen dringende reden om te willen verhuizen.

Joris Kregting,
onderzoeker bij Kaski

Alleen ten aanzien van de kosten zijn er bedenkingen bij nogal wat hindoetempels en joodse synagogen. Dat geldt ook voor de omvang van de gebouwen. ‘Boeddhistische sangha's, hindoetempels en moskeeën zijn vaak groeiende geloofsgemeenschappen’, vertelt Joris Kregting, onderzoeker bij het Kaski. ‘Dat kan er voor zorgen dat gebouwen te klein worden. Bij joodse synagogen is het juist andersom. Ongeveer de helft van deze gemeenschappen krimpt en daarmee kunnen synagogen te groot en te duur worden.’

Toch signaleerde de onderzoeker over het algemeen geen grote bezwaren of urgente verhuiswensen. Zo’n twintig a dertig procent van boeddhistische sangha's, hindoetempels en moskeeën zou op termijn willen verhuizen. Boeddhistische sangha’s vooral naar een reeds bestaand gebouw, hindoetempels en moskeeën vooral naar een nieuw gebouw. Er zijn bijna geen Joodse synagogen die zouden willen verhuizen.

‘Stel dat er sprake zou zijn van een verhuizing’, vervolgt Kregting. ‘Dan zou een christelijk kerkgebouw voor de meeste boeddhistische sangha's, hindoetempels en moskeeën een reële optie zijn. Er zijn geen principiële bezwaren, maar voorwaarde is wel dat er geen achterstallig onderhoud is. Alleen bij joodse synagogen is hiervoor weinig animo. De geloofsgemeenschappen die niet open staan voor een verhuizing naar een christelijk kerkgebouw geven vooral aan dat deze gebouwen te groot zijn, en dat brengt te hoge kosten met zich mee.’

Wat Kregting tot slot opviel in zijn onderzoek, is het grote contrast tussen de leeftijd van de niet-christelijke geloofsgemeenschappen ten opzichte van die van de grote christelijke geloofsgemeenschappen als de Rooms-Katholieke Kerk en de Protestantse Kerk in Nederland. ‘De eerste groep is grosso modo jong en groeiend, de tweede groep vergrijst en krimpt. Ter illustratie: ongeveer dertig procent van de bezoekers van religieuze bijeenkomsten van boeddhistische sangha's, hindoetempels en moskeeën is 60 jaar of ouder, bij de Rooms-Katholieke Kerk en de Protestantse Kerk is dit bijna driekwart. Dat heeft vanzelfsprekend consequenties voor het gebruik van hun ceremoniële gebouwen.’

Hier is het hele onderzoek van Kaski te lezen.

Reacties