U bent hier

De nieuwste gebedshuizen: het erfgoed van morgen?

De rooms-katholieke St. Bonifatiusparochie Almere in aanbouw.

Terwijl het maatschappelijk gesprek vooral gaat over kerken die niet langer in gebruik zijn, zouden we bijna uit het oog verliezen dat er ook nog nieuwe gebedshuizen worden gebouwd. Een kerk bijvoorbeeld voor de hersteld hervormde gemeente in Driebruggen, en een moskee voor de Marokkaans-islamitische gemeenschap in Bilthoven. ‘Onopvallend’ lijkt hierbij echter het credo. Missen we hier geen kansen? Dit vraagt programmamanager Toekomst Religieus Erfgoed Frank Strolenberg zich af. Waarom geen in het oog springende publiekstrekkende gebouwen maken van onze nieuwe gebedshuizen?

Arrahman moskee te Bilthoven. Ontwerp: Azar Architecten, De Bilt

Niet alleen in de bible belt en voor de islamitische gemeenschap, waar de aantallen gelovigen groeien, worden nog nieuwe kerken gebouwd. Ook aan een nieuwe rooms-katholieke kerk in Almere wordt momenteel de laatste hand gelegd. Want tegen de landelijke tendens in, groeit hier het aantal katholieke kerkgangers. De belangrijkste aanwas komt van Nederlanders met een migratie-achtergrond. Weliswaar is er voor de bouw van deze nieuwe kerk afscheid genomen van drie bestaande gebouwen, maar volgens bouwpastoor Koppens was er dringend behoefte aan een nieuwe eigen kerk met een duidelijk katholieke signatuur.

Opvallend bij deze drie voorbeelden is dat de herkenbare identiteit als gebedshuis zo bescheiden is. Er zijn weliswaar interessante details in materiaalgebruik, maar als we dat vergelijken met de gotische, classicistische, neogotische of bijvoorbeeld de kerkbouw in Amsterdamse Schoolstijl die we in Nederland kennen, dan lijkt het huidige credo bijna te zijn: ‘zo min mogelijk opvallen’.

De kerk in Almere wordt langs de ringweg van de stad gebouwd, en ook de moskee in Bilthoven is gebouwd op wat een reststukje grond lijkt. Dat kan praktisch zijn omdat, zoals in Bilthoven, de gelovigen om de hoek wonen, maar de presentie als gebedshuis is opnieuw relatief onopvallend te noemen.

Vergelijk dat eens met de vele neogotische, katholieke kerken uit de tweede helft van de 19e eeuw. Vaak pontificaal in het zicht gebouwd en prominent aanwezig midden in een dorp of wijk van de stad. Natuurlijk, Nederland is inmiddels wel flink wat dichter bebouwd dan in 1900, dus kunnen we niet overal meer bouwen. En uiteraard, niet elk geloof wil zich per se manifesteren door middel van haar gebouw. En vanzelfsprekend, pastoor Koppens en de andere kerkenbouwers mogen met recht en rede trots zijn op wat ze bereikt hebben. Maar toch. Het oogt allemaal nogal bescheiden, zowel qua bouw als qua plek.

Gebeurt er dan niets verrassends meer in Nederland? Toch wel. In het boek Sacred Spaces. Contemporary Religious Architecture uit 2015 selecteerde auteur James Pallister wereldwijd dertig nieuwe architectonisch bijzondere gebouwen. Drie van deze gebouwen staan in Nederland: de nieuwe Nederlands Gereformeerde kerk in Rijsenhout (2006), de synagoge voor de Liberale Joodse gemeente in Amsterdam (2010) en het boeddhistisch meditatiecentrum Metta Vihara in Hengstdijk (2012). En ongetwijfeld zijn er her en der nog wel meer spannende voorbeelden, maar de oogst is niet rijk.

Hersteld hervormde kerk van de gemeente Waarder-Driebruggen.
Ontwerp: Huls Architecten, Staphorst.

Sinds de jaren 60 wordt het kerkenbouw toch gezien als een ondergeschoven kindje in de architectuur. Missen we in Nederland hierdoor geen kansen? Zijn we het in Nederland verleerd om voor onze gebedshuizen verrassende ontwerpen te maken? Ontbreekt het aan elan, zoals Jo Coenen zich eerder al afvroeg in het hoofdstuk ‘Het kerkgebouw en zijn betekenis, op zoek naar elan’ in de bundel Het kerkgebouw in het postindustriële landschap onder redactie van Kees Doevendans en Gertjan van der Harst (2004).

Vinden we het gewoon niet meer de moeite waard om de geest en het Woord een centrale plek in de samenleving te geven? Coenen vroeg zich daarbij af of we ons als samenleving schamen over de betekenis van deze gebouwen, terwijl iedereen toch wel aanvoelt dat het bij deze gebouwen juist gaat over ‘lading’. Of is religieuze beleving zo individualistisch geworden dat er geen behoefte meer is aan grote collectieve ruimten?

Zouden nieuwe bijzondere gebedshuizen niet juist bezoekers trekken: gelovig en anders geïnteresseerden. Bijzondere gebouwen laten immers zien dat zij een grote aantrekkingskracht hebben. Zo trekken onze iconische stadskerken honderdduizenden bezoekers per jaar en de boekhandel in de herbestemde Dominicaner kloosterkerk te Maastricht heeft zelfs al eens een miljoen bezoekers aangetikt.

Dus waarom geen in het oog springende gebouwen maken van onze nieuwe gebedshuizen? Zouden jonge, innovatieve ontwerpers niet uitgedaagd kunnen worden, of juist - zoals vroeger - onze toparchitecten? Kan het buitenland inspireren, want daar worden nog steeds topontwerpen gemaakt (kijk maar eens op een site als Archdaily waar een aparte rubriek is ingeruimd voor ‘religious buildings’).

We zouden er ook een langjarig leerwerkproces aan kunnen koppelen voor ambacht en nieuw vakmanschap. Zoals dat eerder al gebeurde bij de bouw van het VOC-schip de Batavia in Lelystad en nu weer bij de herbouw van Kasteel Schaesberg in Landgraaf, inclusief nieuwe technieken als het 3D-printen van kasteeltorens.

Veel van onze oudere gebedshuizen behoren inmiddels tot de canon van het Nederlands erfgoed. Waarom bij de bouw van nieuwe gebedshuizen niet de ambitie hebben om het erfgoed van morgen te maken?

Reacties