U bent hier

Kerken en dorpen

De eenzame toren van Oostelbeers (1975). Historisch geograaf Hans Renes: 'Deze heeft een complexe geschiedenis, waarin de kerk een aantal keren van rol veranderde.'

Historisch geograaf Hans Renes, verbonden aan de Vrije Universiteit en de Universiteit Utrecht, laat zien hoe de kerk sinds de Vroege Middeleeuwen een centrale plek is gaan innemen, soms zelfs de aanleiding vormde voor het ontstaan van een dorpskern, hoe de kerk in de vroegmoderne tijd de belangrijkste ontmoetingsplek werd, en hoe de kerk in de huidige tijd nog steeds belangrijk wordt gevonden, als richtpunt en als symbool voor de lokale gemeenschap.

Hans Renes

Bij de term dorp denken we aan een groep huizen van een bepaalde omvang: groter dan een gehucht, maar kleiner dan een stad. Maar we denken ook aan een gemeenschap van mensen die zich met elkaar verbonden voelen. En we denken aan een nederzetting die als centrum voor de omgeving functioneert, met winkels en een kerk. De kerk is in de afgelopen acht eeuwen wel het meest kenmerkende symbool van een dorp geweest. De kerktoren was richtpunt voor het omliggende landelijke gebied en de kerkklok bepaalde het ritme van de dag en kondigde bijeenkomsten, gebeurtenissen of gevaar aan. Van Sint Annaparochie in Friesland tot Biggekerke in Zeeland zijn dorpen genoemd naar de kerk(gemeenschap).

In deze korte bijdrage wil ik laten zien hoe de kerk een centrale plek is gaan innemen en soms zelfs de aanleiding vormde voor het ontstaan van een dorpskern.

Een voorbeeld om mee te beginnen: de kerktoren van Oostelbeers
Het verhaal van de kerktoren van Oostelbeers begint bij een lokale grondbezitter die naast zijn eigen woonplaats een kerk liet bouwen. De kerk was misschien aanvankelijk vooral een huiskapel, maar werd in de eeuw nadien steeds belangrijker voor de boeren in de omgeving. De enkele  boeren en de nazaten van de kerkstichter verhuisden van het hoge punt op de akkers naar de rand van het beekdal, waar ze betere graslanden ter beschikking hadden. De kerk, als enige stenen gebouw, bleef achter. In 1648 werd de kerk toegewezen aan de weinige protestanten, die echter niet in staat waren om het gebouw te onderhouden. De katholieken bouwden een schuurkerk in een van de gehuchten aan de rand van het beekdal. Nadat de katholieken in de Franse tijd de kerk terugkregen, besloten ze de schuurkerk te blijven gebruiken tot ze in 1853 een nieuwe kerk konden bouwen bij de oude schuurkerk. De oude kerk verviel en stortte later in. Alleen de toren, die eigendom was van de burgerlijke gemeente, werd onderhouden. De kerk uit 1853 werd in 1967 alweer afgebroken, waarbij opnieuw de toren gespaard werd. Intussen was in 1933-’34 een derde kerk gebouwd, die in 2015 aan de eredienst is onttrokken. Het is al met al een complexe geschiedenis, waarin de kerk een aantal keren van rol veranderde.

Vroege Middeleeuwen: de oudste kerken
Tot de elfde eeuw ontwikkelden dorpen en kerken zich los van elkaar. In delen van onze streken stonden boerderijen in groepen bij elkaar, vaak omdat de geschikte plekken om te bouwen zeldzaam waren. Op terpen in het kustgebied, op de smalle oeverwallen in het westelijke rivierengebied en bij water en vruchtbare bouwlanden in Drenthe stonden al vroeg groepen boerderijen.

De oudste kerken zijn gesticht door vroege missionarissen, gevolgd door kloosters, bisschoppen en regionale elites. In de loop van de elfde en twaalfde eeuw gingen ook lokale elites over tot het stichten van kerken. Veel van de oudste kerken stonden naast een kasteel of een grote hoeve. Het overgrote deel van de kerken stond niet in een dorp.

Persingen in de Ooijpolder is een van de laatst overgebleven kerkgehuchten, met bij de kerk slechts een paar huizen.

De volle Middeleeuwen: enorme groei
Vanaf de twaalfde eeuw nam het aantal kerken enorm toe en ontstond gaandeweg de situatie waarin bijna iedereen op loopafstand van een kerk woonde. Steeds meer begon de kerk een centrale rol te spelen in het leven van mensen. Bestaande groepen boerderijen werden voorzien van een kerk, die soms centraal te midden van de boerderijen werd gebouwd, maar vaak ook aan de rand.

Bij de stichting van nieuwe nederzettingen in ontginningsgebieden werd vaak vanaf het begin al een kerk voorzien. In de veengebieden werden bijvoorbeeld grote aantallen langgerekte nederzettingen gesticht, bestaande uit boerderijen op regelmatige afstanden van elkaar. Nieuw was dat in deze nederzettingen een plek voor een kerk werd gerealiseerd, vaak met een dorpspleintje waaraan later ook middenstanders en voorzieningen een plek vonden.

De vroegmoderne tijd: Reformatie en arbeidsdeling
In de vroegmoderne periode, van de zestiende tot in de negentiende eeuw, waren twee ontwikkelingen van belang. De eerste was de groeiende religieuze pluriformiteit. De Reformatie begon als hervormingsbeweging in de katholieke kerk maar leidde al snel tot een concurrerende stroming. Omdat het Protestantisme in de periode van de Nederlandse Opstand de overhand kreeg in de Noordelijke Nederlanden, werden veel katholieke kerken overgedragen aan de protestanten. Dat betekende een ander gebruik, met een sterke nadruk op zondagse vieringen waarin de parochianen geacht werden aanwezig te zijn.

Het Protestantisme was minder hiërarchisch dan de Rooms-Katholieke kerk en bood ruimte voor eigen interpretatie van de bijbel en voor organisatie van onderop. Het leidde vooral van de negentiende eeuw tot een bijna onoverzienbare reeks van kerksplitsingen, waarbij veel dorpen uiteenvielen in geloofsgemeenschappen rond verschillende kerken.

Links een stamboom van protestantse kerken (Knippenberg). Rechts een recent overzicht van kerken op Urk.
Het kaartje toont twintig kerkgebouwen, alle van Protestantse signatuur.

In het midden van de negentiende eeuw kwam ook de Rooms-Katholieke kerk weer op. In de gebieden waar een katholieke meerderheid was blijven bestaan, met name in Zand-Brabant, in Limburg en in Oost-Gelderland, werden de oude dorpskerken weer overgenomen van de protestanten. Daarnaast werden enorme aantallen nieuwe kerken gebouwd, die met hun spitse torens het landschap gingen beheersen.

De tweede belangrijke ontwikkeling was de steeds verder gaande arbeidsdeling. Het aantal middenstanders nam toe en zij vestigden zich bij voorkeur naast de kerk, uiteindelijk de belangrijkste ontmoetingsplek. Naast de herberg kwamen er winkels en ambachten. Het lokale bestuur bouwde een eigen raadhuis, ook naast de kerk. De groeiende dorpskern werd ook de plek waar rentenierende ex-boeren gingen wonen. Landarbeiders die niet meer afhankelijk wilden zijn van een enkele werkgever vestigden zich ook in de kern. De kerk werd de kiemcel voor een dicht bebouwde dorpskern. De meeste dicht bebouwde kerkdorpen zoals we ons die meestal voorstellen, stammen uit deze periode.

De huidige tijd: secularisatie
In de tweede helft van de twintigste eeuw begon een geleidelijke en steeds verder versnellende secularisatie. Tegelijk werden de dorpen als lokale centra ondergraven door het verdwijnen van raadhuizen, scholen en winkels. Het dorp werd een verzameling huizen die meest door forensen werd bewoond. Toch zijn dorpen nog verrassend veerkrachtig gebleken. Het dorp is een populair onderwerp voor historische – en soms nostalgische – beschouwingen. De kerk is daarin een vanzelfsprekende aanwezigheid.

Boeken over kerken en dorpen.

Intussen is het steeds moeilijker de grote aantallen plaatselijke kerken te onderhouden. Toch bleef een grootschalige afbraak uit, omdat de gebouwen nog steeds belangrijk werden gevonden, als richtpunt en als symbool voor de lokale gemeenschap. Sommige kerken blijven in stand door omvorming tot woonhuizen of kantoren. Stichtingen als de Oude Groninger Kerken proberen historische dorpskerken te behouden en door de organisatie van concerten en kunstmanifestaties een plek in de gemeenschap te laten innemen.

Verder lezen?
Morris, R. (1989). Churches in the landscape. Dent, London.
Steegh, A. (1985). Monumentenatlas van Nederland. 1100 historische nederzettingen in kaart. Walburg, Zutphen.
Verspay, J.P.W., A.M.J.H. Huijbers, H. van Londen, J. Renes & J. Symonds (2018). Village Formation in the Netherlands during the Middle Ages (800 – 1600); an assessment of recent excavations and a path to progress. RCE, Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten 56).

Reacties