U bent hier

‘De overheid kan zich niet langer afzijdig houden als het gaat om religie’

woensdag 26 februari 2020 - 13:30

Prof. dr. Sophie van Bijsterveld

Sophie van Bijsterveld, hoogleraar Religie, recht en samenleving, reflecteert op de schroom die gemeenteambtenaren soms voelen wanneer ze contact hebben met religieuze organisaties. ‘Begrijpelijk, maar onnodig.’ 

Dit artikel is onderdeel van een serie over ‘vormen van dialoog’, zie ook Een echte dialoog nog niet zo makkelijk en Sociocratie - iedereen aan het roer.  

Tot vorig jaar was ze (ook) Eerste Kamerlid voor het CDA. Nu is ze in de eerste plaats hoogleraar Religie, recht en samenleving aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Prof. dr. Sophie van Bijsterveld promoveerde in 1988 op de verhouding tussen kerk en staat. Tot haar aanstelling in Nijmegen was zij als bijzonder hoogleraar verbonden aan Tilburg University. Ze reflecteert dan ook graag op de dialoog tussen kerk en staat op gemeenteniveau, zoals die bij de totstandkoming van een kerkenvisie vaak plaatsvindt. 

We pakken het ‘Tweeluik religie en publiek domein’ - een samenwerking tussen het ministerie van BZK en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, verschenen in november vorig jaar. Het is een herziening van de eerste versie uit 2010. Het document moet gemeentebesturen en ambtenaren handvatten bieden, want er heerst nog verlegenheid en schroom in de omgang met religieuze organisaties. 

Geschiedenis van ongemak

Bij Van Bijsterveld komen direct twee voorbeelden op als het ongemak van de overheid ten aanzien van religieuze organisaties ter sprake komt. ‘Ik moet denken aan de situatie in de gemeente Binnenmaas, waarbij een burger bezwaar maakte tegen borden, die je zag als je de gemeente binnen reed: “Welkom in die en die kerk”. Het College van B&W besloot dat de borden verwijderd moesten worden – een besluit dat overigens weer ongedaan gemaakt is. Ik herinner mij ook de toekenning van het jongerenwerk door een deelgemeente van Amsterdam aan Youth for Christ. Dat werd zo’n toestand dat de stadsdeelvoorzitter moest aftreden.’

Niet toevallig, zegt de hoogleraar, zijn beide voorbeelden een jaar of tien oud. Zij zijn dus uit de tijd dat het eerste Tweeluik religie en publiek domein verscheen. 

Hoe verklaart u dat ongemak van veel overheden in hun omgang met religieuze organisaties?

'Daarvoor moet je terug in de tijd. De laatste 25 jaar van de vorige eeuw werd religie als niet relevant gezien en bovendien als een louter individuele aangelegenheid. Het waren de nadagen van de klassieke verzorgingsstaat. De overheid vulde als het ware het publieke domein, over waarden en normen bestond in grote lijnen overeenstemming, en de samenleving als geheel was behoorlijk tolerant.

Hier kwam eind jaren negentig verandering in. We zien dan een terugtredende overheid, fundamentele discussies over ‘waarden en normen’ en een verminderde maatschappelijke tolerantie. Religie is ineens weer relevant en er is herwaardering van religie als maatschappelijk fenomeen.

De schroom of verlegenheid in de omgang van de overheden met religieuze organisaties verklaar ik uit de spanning door deze geleidelijke, maar tegelijk ingrijpende omslag. Kort gezegd: de overheid deed lang alsof ze blind was ten aanzien van religieuze kwesties. Vandaag de dag kan de overheid zich niet langer afzijdig houden. Dat geldt voor herbestemming van cultureel erfgoed, maar ook voor heel andere opgaven, zoals de bijdrage van religieuze organisaties in het sociale domein of het tegengaan van radicalisering.’

Kunt u deze schroom van de overheid begrijpen?

‘Ik begrijp deze wel, maar het is niet nodig. De overheid hoeft zich helemaal niet afzijdig te houden. Er zijn wel randvoorwaarden. De overheid mag zich bijvoorbeeld niet identificeren met één religie. En de rollen en verantwoordelijkheden moeten zuiver blijven. Dat laatste is in wezen wat die abstracte principes als neutraliteit en scheiding van kerk en staat uitdrukken.

Veel overheden zien tegenwoordig de kracht die er van veel religieuze gemeenschappen uit gaat. Er zijn bovendien veel raakvlakken tussen het gemeentelijke beleid en dat van veel kerken of religieuze gemeenschappen. Denk aan allerlei sociale projecten, zoals maatschappelijke ondersteuning of het voorkomen van eenzaamheid. Maar ook cultureel en op het gebied van veiligheid vallen belangen nogal eens samen. Religieuze organisaties zijn soms ook een kanaal voor de lokale overheid die moeite heeft om burgers te bereiken met informatie. Een soort intermediair.’

Hoe ziet u de rol van de overheid als het gaat om de toekomst van het religieus erfgoed?

‘Kerkgebouwen werden tot voor kort gezien als de ultieme uiting van individuele religiositeit. “Geloven doe je maar binnen de muren van jouw kerkgebouw”, luidde het dan. Nu breekt het besef weer door dat kerkgebouwen voor veel meer staan. Wat betekent een kerkgebouw voor het aanzien van een dorp of stad en de samenhang van een lokale gemeenschap? Wat betekent het planologisch of emotioneel voor een buurt? Wat betekent het gebouw voor de geschiedenis, de architectuur, het toerisme? Of als plaats voor ontmoeting, stilte of bezinning? Die betekenissen worden soms helaas pas duidelijk als sloop dreigt.’  

De overheid, de samenleving én de kerken hebben hierin bij uitstek overlappende, en dus deels dezelfde, belangen als het gaat om de instandhouding van een kerkgebouw. Het is dus goed dat de overheid hierin een rol speelt en dat de betrokken partijen samenwerken, natuurlijk met respect voor ieders eigen positie.’

Vindt u dat het Tweeluik handvatten biedt voor opstellen van een kerkenvisie?

‘Over het opstellen van een kerkenvisie heeft het ministerie van OCW specifiek een uitstekende brochure. Het bijzondere van het Tweeluik is dat het, aanvullend hierop, de uitgangspunten schetst voor de omgang tussen overheid en religieuze organisaties. Bovendien gaat het in op de vele concrete onderwerpen die kunnen spelen tussen de gemeentelijke overheid en religieuze organisaties, niet alleen op de toekomst van het religieus erfgoed. Het Tweeluik plaatst daarmee ook het opstellen van een kerkenvisie in een veel bredere context.’

Reacties