U bent hier

De kerk is van ons - verslag studiemiddag plattelandskerken

maandag 22 februari 2016 - 15:48

© Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Het is waar. Ook op het platteland staan veel kerken en kloosters leeg of komen leeg te staan. Maar anders dan in stedelijke gebieden, hebben veel dorpen in het landelijk gebied ook te kampen met krimp. Het aantal inwoners loopt terug, de kruidenier verdwijnt, het café sluit en de basisschool houdt nog met moeite het hoofd boven water. Toch, zo benadrukken de vele sprekers tijdens de studiemiddag ‘kerken op het platteland’ op 12 februari jl., kan juist religieus erfgoed een belangrijke rol spelen in het versterken van de dorpsgemeenschap en de dorpseconomie. Omdat het bezielde plekken zijn die vaak al eeuwen een centrale plaats in het dorp innemen en omdat iedereen vindt dat de kerk voor, door en van de gemeenschap is. Op deze middag was er dan ook geen ruimte voor calimerogedrag: een trotse Parade van Plattelandskerken trok voorbij. Peter Breukink, directeur Oude Groninger Kerken, presenteerde de stoet. Daarnaast kregen de bezoekers gereedschap uitgereikt om hun ‘praalwagens’ op te tuigen.

Kerk tussen Ziel en Zakelijkheid

In het eerste deel van het programma draaide het om de vraag hoe je weloverwogen keuzes kunt maken als het gaat om het behoud of het afstoten van kerken. Welke kerken behoud je voor de eredienst als het aantal kerkgangers terugloopt? Kunnen sommige kerken een andere functie krijgen of moet je misschien wel slopen. En welke rol kunnen lokale overheden hierin vervullen? Duco Stadig, kerkrentmeester van de gebouwencommissie van de Protestantse kerk Amsterdam, lichtte toe hoe die opgave uitpakte voor een aantal (protestantse) kerkgebouwen in onder meer Amsterdam, Den Haag en Amstelveen. Hij legde dit proces, met handig stappenplan, vast in de brochure ‘Help, onze kerk loopt leeg’, een kleine handleiding voor kerkbestuurders’. Op de vraag of er ook een erfgoedhart in hem klopte, gaf Stadig aan dat zijn afwegingen puur zakelijk waren ingestoken, als kerkrentmeester.

Hoe anders was dat bijvoorbeeld bij de burgemeester van Appingedam, Rika Pot. Zij gaf in een korte presentatie aan hoe kerk en staat elkaar in het noorden van Groningen gevonden hebben. Appingedam is kwetsbaar, betoogde de burgemeester: ‘We hebben eigenlijk alles tegen: krimp, vergrijzing, ontgroening en schade door gaswinning, maar we geloofden in het uitbouwen van onze eigen kracht.’ Met het behoud van erfgoed voor ogen, werd een heldere visie ontwikkeld: de Damster Kerkencarrousel. Door uit te gaan van de kwaliteit van de gebouwen, hun functionaliteit en het verhaal over hun betekenis voor de lokale gemeenschap kon een aantal niet meer in gebruik zijnde kerken en een synagoge worden ingezet als aanjagers van de stadseconomie. Met behulp van een financiële bijdrage van de Stichting Oude Groningse Kerken en verdere fondsenwerving werden de gebouwen gerestaureerd en kregen ze nieuwe functies als cultuur- en ontmoetingsplaatsen.

Ook Peter Ploegaert, wethouder in het Zeeuwse Sluis, schetste de ‘mega-opgave’ rond veertig kerkgebouwen in zeventien dorpskernen. In het project Kerk, Krimp en Kans is deze opgave samen met de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland en de kerkeigenaren ter hand genomen, met als uitgangspunt de wens om in elke kern minstens één kerk als gemeenschapsvoorziening te behouden. Het project bestond uit drie fasen: Weten en Waarderen, waar het ging om het verzamelen en achterhalen van informatie en kennis, vervolgens Draagvlak en Drama met een zoektocht onder met name lokale ondernemers naar mogelijke initiatiefnemers voor herbestemming, én daarna fase drie: Project en Profijt, waarin voor een aantal gebouwen een businesscase is gemaakt. De gemeente vervulde hierin een faciliterende rol: wel de regie, maar geen financiële ondersteuning. Burgemeester Pot gaf vanuit haar ervaringen in Appingedam aan hoe belangrijk het is om het belang van een gebouw voor de gemeenschap aan te tonen: als je het kunt inbedden, het gebouw een betekenis kunt geven voor de openbare ruimte, voor de leefbaarheid van een dorp, dan zijn er soms wel financiële mogelijkheden. Dan kun en moet je als gemeente je verantwoordelijkheid nemen. Maar elke keer draait het om maatwerk.

Als vierde spreker bij dit onderdeel besprak Henk Kroes, voorzitter van de Stichting Nijkleaster, het initiatief van het predikantenechtpaar Wagenaar om in Friesland een pioniersplek, een klooster nieuwe stijl, te stichten. De Radboudkerk, dorpskerk van Jorwert, is de uitvalsbasis voor wekelijkse ‘kloosterochtenden’ in het teken van stilte, bezinning en verbinding met bijeenkomsten, koffiedrinken en een gezamenlijke wandeling. Een plek van spiritualiteit en ontmoeting, naast de traditionele kerk, want ’s zondags wordt de kerk gewoon gebruikt door de lokale protestantse gemeenschap. Het initiatief spreekt aan en na een voorzichtige start komen belangstellenden inmiddels uit het hele land. Droom van de stichting is om deze pioniersplek uit te bouwen tot een complex van ‘kerk, kroeg en klooster’. Via crowdfunding is geld ingezameld om de kerk te verbouwen. De volgende wens is de aankoop van een boerderij, zodat gasten ook kunnen overnachten. Voorzitter Kroes vertelt dat dat deze nieuwe vorm van ‘kerk zijn’ en de ontwikkelingen die dat met zich meebrengt veel los maakt onder de circa 300 inwoners van Jorwerd: gaat deze nieuwe gemeenschap niet een te grote claim op het dorp leggen? Draagvlak creëren, samenwerken met de inwoners én het rondkrijgen van de financiering zijn dan ook de uitdagingen voor de komende periode. ‘Een Elfstedentocht is heel wat makkelijker te organiseren,’ vat Kroes deze uitdaging samen. Dat een al helemaal uitgewerkt en dichtgetimmerd plan niet werkt en inwoners al in een vroeg stadium over en bij de plannen geïnformeerd en betrokken moeten worden, is duidelijk.

Rasoptimisten: de ondernemer aan zet

In het tweede programmaonderdeel komen ondernemers aan het woord. Wat zijn hun ervaringen als ze hun zinnen hebben gezet op een leegkomende of leegstaande dorpskerk. Hoe verwezenlijken ze hun droom en waar lopen ze tegenaan? Want, zo blijkt uit de verhalen vanmiddag, het begint met een droom. Dat geldt zowel voor Henk Eggens, die een cultuurpodium realiseerde in de dorpskerk van Borger als voor Dieuwke Stellinga die samen met haar man de protestantse Willibrorduskerk in Hooge Zwaluwe transformeerde tot het Restaurant Onze Kerk. Cultureel ondernemer Henk Eggens droomde van een plek in zijn dorp waar je elke week naar muziek zou kunnen luisteren. Hij stapte bij de gemeente – eigenaar van de rijksmonumentale Willibrordkerk van Borger – naar binnen met een simpele mededeling: ‘Ik heb een plan.’ De gemeente wilde het dorpshart van Borger revitaliseren en was op zoek naar reuring. De match was gemaakt en al snel kon Eggens starten met zijn cultuurpodium VanSlag waarin hij eigen geld investeerde. De praktijk bleek uiteindelijk weerbarstig, want hoe kon hij de exploitatie rondkrijgen? ‘Alleen door erin te geloven en er heel veel tijd en energie in te steken. Het opbouwen van een publiek kost tijd. Mijn onwetendheid en onnozelheid zijn, achteraf gezien, de basis geweest voor het succes.’ Want met een eigenzinnige programmering, en 200 voorstellingen verder, is VanSlag erin geslaagd een breed publiek naar Borger te trekken. Toch zijn ook andere inkomstenbronnen noodzakelijk: Naast het cultuurpodium opende Eggens een grand café in de kerk en een terras, en biedt hij de ruimte aan congressen, bruiloften en partijen. Inmiddels heeft de gemeente de kerk overgedragen aan de stichting van Eggens en dankzij een subsidie en laagrentende lening van de provincie Drenthe kan hij investeren in energiebesparende maatregelen en daardoor de energielasten voor de dorpskerk verminderen.

Ook ondernemer Dieuwke Simonis vertelt met passie over haar droom: ‘Mijn man en ik vielen voor de oude kerk in Hooge Zwaluwe en droomden van een restaurant in deze dorpskerk.’ Ze kochten de kerk, verbouwden die en binnen twee jaar openden ze hun restaurant dat inmiddels elke avond vol zit. Hoe hen dat lukte? Dieuwke Simonis licht het toe aan de hand van het motto Dromen – Durven – Doen oftewel: weten wat de stip aan de horizon is, risico durven nemen en aan de slag! En dat alles met een enorme betrokkenheid, openheid en oprecht respect voor wat het gebouw ooit was. Zo is het kleine Mariakapelletje behouden en steken bezoekers daar nog steeds een kaarsje aan. De snelheid waarmee alles uiteindelijk is gerealiseerd en het overrompelende succes noemt Simonis de grootste meevaller. Dat is mede gelukt dankzij een daadkrachtige parochie, een gemeente die ook het algemeen belang van de droom van de initiatiefnemers inzag en net als de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) bereid was de randen van de regels op te zoeken.

Enthousiaste doeners: de burger aan zet

Na de overheden en de ondernemers stonden in het derde deel van deze middag inwoners centraal. Want overal in het land nemen burgers initiatieven om oude (kerk-)gebouwen in hun dorp nieuw leven in te blazen. Sjors de Vries, directeur Ruimtevolk, toonde de aanwezigen een waaier aan initiatieven in krimpgebieden. Initiatieven die verzameld zijn in het kennisprogramma Van Onderop! waar ook de RCE in participeert. Op de gelijknamige website barst het van de voorbeelden van enthousiaste doeners die met hun initiatieven bijdragen aan de vitaliteit van dorpen. De Vries benadrukte dat een belangrijke succesfactor voor een geslaagde herbestemming het verhaal is dat hoort bij het gebouw, bij de plek. Daar begint het mee. Daarnaast zijn gemotiveerde mensen, kennis en ervaring, het zoeken naar nieuwe verbindingen én naar nieuwe verdienmodellen ook bepalend voor een succesvolle herbestemming.

Het zoeken naar en het aangaan van nieuwe verbindingen is een kolfje naar de hand van oud-onderwijzer Thijs Rutten, voorzitter van de dorpscoöperatie ‘Steingood’ in Beringe, een van de elf kerkdorpen van de Limburgse gemeente Peel en Maas. Elk dorp met een eigen kerk, waarvan er maar vier hun kerkelijke functie konden behouden. Dat was de aanleiding voor de droom van Beringe: een plan om in en rond de kerk een nieuw gemeenschapshuis voor het dorp te realiseren. De gemeente ondersteunde het initiatief, maar ‘jullie betalen het zelf’, aldus de wethouder. De initiatiefnemers kozen als organisatievorm voor een coöperatie waarvan iedere inwoner, bedrijf of vereniging lid kan worden. En dat gebeurt op grote schaal. Er wordt geen lidmaatschapsgeld gevraagd, wel de inzet van vijf uur tijd en kennis. Ook dat stimuleert de betrokkenheid en gemeenschapszin. Een ideële coöperatie dus, die de publieke gebouwen van Beringe in haar beheer wil krijgen. Maar ook een coöperatie met een goed verdienmodel. Rutten: ‘We proberen te verdienen aan ons vastgoed, en dat lukt. Via de coöperatie willen we zelf kunnen beslissen over de toekomst en beschikbaarheid van gebouwen in ons dorp’.

Ook in het Groningse Kloosterburen is een dorpscoöperatie opgericht: Klooster & Buren. Het begon met een groep inwoners die zich, een aantal jaren geleden, zorgen maakten over de teloorgang van de publieke ruimte in hun dorp: niets was meer van de inwoners. Krimp hing als een zwarte wolk boven het dorp en voorzieningen dreigden te verdwijnen. Van het oude kloostercomplex waar Kloosterburen haar naam aan te danken heeft was al lang bijna niets meer over. En juist dit oude kloosterterrein met bijbehorende kloostertuin was, zo vertelt Anne Hilderink, de gedreven ambassadeur van Stichting SintJan, als een schat die wakker gekust moest worden. Aanvankelijk als een plek die ruimte moest bieden aan een woon-werkvoorziening voor verstandelijk beperkte mensen. Vanuit die eerste gedachte is er verder gekeken naar de behoeften en de kracht van de hechte gemeenschap van Kloosterburen. Rond de vraag ‘Wat heeft onze gemeenschap nodig en wat vinden we van waarde?’ kozen ze ‘gastvrijheid’ als kernbegrip. Een begrip dat bij uitstek past bij de lange traditie van het klooster en waarin tot dan toe losstaande kolommen als wonen – zorg – ecologie – cultuur – economie met elkaar kunnen worden verbonden. Vanuit deze filosofie worden nieuwe bestemmingen ontwikkeld voor de monumenten in het dorp: de dorpskerk waarvan de stichting eigenaar werd, de kloostertuin, die door inwoners is hersteld en wordt onderhouden, en de kloosterboerderij. De coöperatie, waar ook omliggende dorpen bij betrokken worden, is een bundeling van sociaal kapitaal, kennis en talent, die zich ook bezighoudt met zorg en energie.

Ook in Bemmel, een dorp dat deel uitmaakt van de gemeente Lingewaard, zet een groep betrokken inwoners zich in voor het behoud en de herbestemming van hun dorpskerk: destijds wilde de gemeente het sociaal cultureel centrum in de leeggekomen monumentale Donatuskerk in Bemmel onderbrengen. Dat plan kwam na de gemeenteraadsverkiezingen op losse schroeven te staan. De gemeente investeerde toch liever in de renovatie van het bestaande culturele centrum De Kinkel. Een deel van de gebruikers van De Kinkel was juist enthousiast geraakt over de mogelijkheden van de kerk, zag nog steeds kansen en ontwikkelde een plan voor een theaterzaal in de kerk: de theaterkerk. Zo zou de karakteristieke Donatuskerk behouden kunnen blijven en een centrale rol binnen de gemeenschap kunnen blijven spelen. Want de kerk hoort nu eenmaal bij Bemmel. Maar hoe realiseer je dat, als je bij de gemeente geen voet aan de grond krijgt en al helemaal niet op financiële ondersteuning hoeft te rekenen. Frits Meurs, een van de trekkers: ‘Wij geloofden heilig in ons plan en kozen voor private financiering o.a. via crowdfunding. Dat leverde veel geld op’. Een schenking van een miljoen euro versnelde vervolgens het proces. In het dorp is veel draagvlak voor de theaterkerk. De initiatiefnemers betrekken de inwoners erbij, o.a. door elke maand een open huis te organiseren. Veel vrijwilligers helpen bij de verbouwing. Een gigantische klus, want er komt niet alleen een complete theaterzaal, het gebouw wordt ook verduurzaamd, onder andere via aardwarmte. Eind 2016 hopen de Bemmelaars het theaterseizoen van de Theaterkerk in te kunnen luiden.

Dromen, durven en vooral doen!

Het enthousiasme en de durf die uit alle voorbeelden uit deze plattelandskerkenparade sprak, werkte inspirerend. Ga aan de slag, steek de handen uit de mouwen en wacht niet tot alles helemaal rond is. Openheid, betrokkenheid en respect voor het gebouw en het verleden zijn onmisbare kwaliteiten voor een succesvol project. Een andere voorwaarde is voldoende financiële middelen. En ook daarin lieten de initiatiefnemers en lokale overheden hun creativiteit zien. Maar extra middelen zijn altijd welkom, dus de twee cadeautjes aan het einde van de studiemiddag werden warm onthaald: als eerste het project ‘Open Kerken en Kloosters’, een samenwerking tussen VSBfonds, Museum Catharijne Convent en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. VSBfonds stelt een bedrag van € 150.000 beschikbaar voor 5 à 6 onderscheidende plannen van organisaties die hun bijzondere gebouwen open willen stellen voor een breed publiek. Het tweede cadeautje kwam van het Nationaal Restauratiefonds: het fonds verruimde haar Kerken Nevenfunctielening. De lening kan nu ook ingezet worden voor duurzaamheidsmaatregelen of de financiering van herbestemmingskosten. Programmaleider Frank Strolenberg besloot de bijeenkomst en stak de betrokkenen bij plattelandskerken een hart onder de riem: ‘wees trots en zelfbewust want door internet zit u al lang niet meer aan de rand van het land. Internet maakt het mogelijk dat iedereen zijn eigen interesse kan volgen. De wereld van het grote getal is veranderd in de wereld van de niches die via internet makkelijk te vinden zijn. En zo kunnen mensen ervaren dat juist in de periferie fantastische dingen gebeuren.’

Marjo Stam, Schrijfschap tekst & redactie

Reacties