U bent hier

Kerkenbouw na 1965

dinsdag 3 december 2019 - 09:39

De Marcuskerk (1967) in Delft, een van de opvallende kerkbouwen van architect Henk Hupkes uit de late jaren zestig. Zijn oeuvre onderscheidt zich door kerken met organische vormen of expressieve bakens op het dak.

Op dit moment wordt in veel gemeenten en kerkgenootschappen nagedacht over de toekomst van hun kerkgebouwen. Daarbij is er een groep gebouwen die rijksmonument of gemeentelijk monument zijn en waarvan –in ieder geval vanuit cultuurhistorisch perspectief- duidelijk is wat de waarde is van die gebouwen. Minder houvast is er voor de meest recente gebouwen: hoe moet de waarde daarvan vastgesteld worden? De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft daarom de afgelopen periode een eerste verkennend onderzoek uitgevoerd naar kerkgebouwen in Nederland uit de periode na 1965. In de periode na 1965 vonden in Nederland diverse ontwikkelingen plaats, met andere geloven en vormen van geloofsbeleving. Ze kregen een vertaling in de kerkenbouw, maar ook bijvoorbeeld bij synagogen en moskeeën. Ook de betekenis van de kerkgebouwen in samenhang met het gebruik en de opbouw van een wijk veranderde. Veel kerken uit deze periode vervulden immers een expliciet en bewust geformuleerde maatschappelijke betekenis. Deze studie is dan ook bedoeld om gemeenten handvatten te geven in het inventariseren, analyseren en duiden van de gebouwen en hun betekenis in de toenmalige en huidige samenleving.

De oecumenische kerk De Voorhof (1976; in 2001 gesloopt) in groeikern Zoetermeer maakte deel uit van een groter wijkcentrum en was daardoor niet direct als kerk herkenbaar. Het ontwerpuitgangspunt van architect Ton Alberts was een centrum waar mensen elkaar konden ontmoeten voor manifestaties en diverse activiteiten.

Kerkenbouw had eeuwenlang een leidende rol in de architectuurgeschiedenis; dat veranderde in de periode na 1965. Democratisering, ontzuiling, jongerencultuur en vrouwenemancipatie: een nieuwe maatschappij kreeg gestaag vorm. Niet eerder in de geschiedenis bestond er binnen de kerkgemeenschappen zo’n onzekerheid over de betekenis van de kerk in de samenleving. De Volkskrant stelde in 1970: ‘De vraag hoe de kerk vandaag in de wereld staat, wordt voor de architect: hoe staat het kerkgebouw in het stadsbeeld?’ Volgens invloedrijke architectuurtheoretici als Geert Bekaert kon de imponeerarchitectuur uit de jaren vijftig en begin jaren zestig geen antwoord zijn op de nieuwe maatschappij. Maar wat was dan wel de actuele betekenis van het kerkgebouw in die tijd?

De Felicitaskerk in Spijkenisse (1986) is gebouwd op een plek waar de grond goedkoop was: boven de parkeerplaats van een metrostation. ‘We willen op het kruispunt van de samenleving staan’, aldus bouwpastor Kurvers. Architect Maarten Min beschouwde zijn ontwerp als een weerspiegeling in samengeperste vorm van de kerkgeschiedenis: verscholen catacomben, vroegchristelijke basilica's, romaanse soberheid, hemelgerichte gotiek en vloeiende barok.

Onderzoekers Lara Voerman, Evelien van Es en Gerdien van der Graaff gaan in het project ‘Kerkenbouw na 1965’ op zoek naar de betekenis en karakteristieken van de circa 1300 kerken, tempels en moskeeën die in die periode in Nederland zijn gebouwd. Anders dan de andere deelonderzoeken strekt de tijdshorizon zich ook uit tot de gebouwen die onlangs gereed zijn gekomen. De urgentie om deze periode te onderzoeken is hoog: een aantal van de meest iconische gebouwen blijkt al gesloopt. De collectieve geloofsbeleving van de afgelopen vijftig jaar kent een panoramische breedte: van de laatste kerken in de wederopbouwstijl tot historiserende refodomes; Ottomaanse, Moorse en Moguleske moskeeën; en van experimenten als de ondergrondse kerk in Heerlen en de soefi-tempel in de Katwijkse duinen tot de kerk als een vrijwel onherkenbare doos. Wat zijn de belangrijkste golfbewegingen, omslagmomenten en lange lijnen in de ontwikkeling van religieuze gebouwen in Nederland tussen 1965 en 2019? In een essay komen religieuze ijkmomenten aan bod, politieke gebeurtenissen (de komst van de Molukkers en later de arbeidsmigranten), maar ook de grote opgaven in ruimtelijke ordening. Zo etaleren groeikernen als Zoetermeer en Nieuwegein en new towns Almere en Lelystad een staalkaart aan kerkarchitectuur uit de periode na 1965.

Kerk van de Gereformeerde Gemeente in Gouda van bureau RoosRos uit 2008. De Gereformeerde Gemeenten bouwen de zogenoemde ‘refodomes’. De perifere ligging ten opzichte van de woonkernen heeft een logistieke aanleiding; er is veel parkeerruimte nodig. Hoe bescheiden de bevindelijk gereformeerden zich in het publieke domein ook willen manifesteren, hun kerkenbouw is op zijn minst fenomenaal te noemen.

Behalve in een essay, resulteert het onderzoek ook in een overzicht van de elementen van het religieuze gebouw: vaste onderdelen die de verschillende geloven overstijgen op de schaal van stedenbouw, architectuur en de logica van het interieur. Het gaat daarbij om elementen als licht (daglichttoetreding, kunstlicht), water (wasruimte, doopvont), landschappelijke of stedenbouwkundige inbedding, oriëntatie (het oosten, Mekka), routing en opbouw (de volgordelijkheid van het ritueel van de eredienst), expressie (toren, klokkenstoel, minaret, koepel), ruimte voor gebed, ruimte voor ontmoeting, en ruimte voor het ritueel van de eredienst. Het overzicht van deze elementen is feitelijk een taxonomie die helpt bij het plaatsen, begrijpen, analyseren en – mogelijk –  waarderen van een religieus gebouw, ongeacht de gezindte.

De verwachte oplevering van het onderzoek is begin 2020.

Reacties